Zoeken

Wat zoekt u precies?

Essay Maarten Allers

>> Download hier het volledige essay van Maarten Allers (PDF)

Inleiding
Het Nederlandse overheidsbeleid is lang gericht geweest op het verkleinen van verschillen in welvaart tussen regio’s. Dat gebeurde bijvoorbeeld door in economisch achterblijvende gebieden te investeren (WRR, 2013). De chemiesector in Limburg, die het negatieve effect van het sluiten van de mijnen moest compenseren, is hiervan een goed voorbeeld. Ook het vestigen van een deel van de PTT – destijds een staatsbedrijf - in Groningen paste daarin, al is het succes daarvan minder evident. Dergelijk vestigingsbeleid is inmiddels volledig in diskrediet geraakt; het Rijk trekt zelfs diensten als rechtbanken uit de regio terug in een streven naar meer doelmatigheid.

De omslag kwam eind jaren 80. De Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (Ministerie van VROM, 1988) richtte zich meer op de sterke onderdelen van de Nederlandse economie, zoals Schiphol en het Rotterdamse havengebied. Die lijn is geleidelijk dominanter geworden. Investeren in zwakke regio’s werd niet langer als kansrijk gezien. De nota Pieken in de delta (Ministerie van Economische Zaken, 2004) benadrukt juist het belang van het versterken van de economisch succesvolle regio’s. De nota Naar de top (Ministerie van Economische Zaken, 2011) verschuift de aandacht van sterke regio’s naar kansrijke economische sectoren. Om groeikansen in opkomende markten te benutten en te profiteren van de aantrekkende wereldhandel moeten topsectoren verder worden versterkt. Ook het programma Agenda Stad is gericht op versterken wat al sterk is. Bestaande verschillen tussen regio’s worden nu dus door overheidsbeleid – voor zover dit succesvol is – vergroot.

Een andere belangrijke verschuiving in het beleid is de decentralisatie van een deel van het economische beleid, zoals afgesproken in het Bestuursakkoord 2011-2015 (VNG, 2011). Het Rijk is nu verantwoordelijk voor de ontwikkeling van een samenhangende beleidsagenda voor negen topsectoren. Rijk, provincies en gemeenten bezien samen op basis van dit beleid hoe de topsectoren in de regio kunnen worden verankerd. Tegelijk met deze decentralisatie bezuinigde de rijksoverheid op de instrumenten voor het innovatiebeleid. Ook verschuift de nadruk bij het Rijk van subsidies naar fiscale instrumenten.

Het Bestuursakkoord 2011-2015 beschrijft expliciet de verantwoordelijkheden van provincies en gemeenten. Op het gebied van het economische beleid zijn provincies verantwoordelijk voor het faciliteren van de regionale kennisdriehoek (economie – onderwijs – arbeidsmarkt), het bedrijventerreinenbeleid, het regionale vestigingsklimaat en de ruimtelijke inpassing van bedrijvigheid en kennisinstellingen. Gemeenten hebben taken bij het stimuleren van de lokale economie, het verzorgen van kwalitatief en kwantitatief voldoende werklocaties, het stimuleren van detailhandel, toerisme en recreatie en de aansluiting met werkgelegenheid en scholing.
Natuurlijk betreft dit grotendeels taken die vóór de decentralisatie uit het bestuursakkoord ook al bij decentrale overheden lagen. Provincies en gemeenten in regio’s met topsectoren krijgen er de taak bij om die sectoren te helpen versterken. Maar het al bestaande decentrale beleid is daarmee niet automatisch van de baan. Ook gemeenten zonder topsectoren zullen economisch beleid (blijven) voeren.

Naast beleid gericht op versterking van de lokale economie voeren gemeenten nog ander beleid dat valt onder het sociaaleconomische beleid in brede zin. Een belangrijk onderdeel hiervan is het bevorderen van arbeidsdeelname van mensen die zonder hulp moeilijk aan betaald werk komen. Ook op dit terrein is recent veel gedecentraliseerd (Participatiewet, 2015) en wordt steeds meer verwacht van gemeenten en hun samenwerkingsverbanden.

Sociaaleconomische verschillen tussen regio’s nemen toe (CBS en PBL, 2016), en de rijksoverheid probeert deze trend te versterken om de landelijke economie te stimuleren. Dit roept de vraag op wat de mogelijkheden voor provincies en gemeenten zijn om hierop invloed uit te oefenen. Dit essay verkent de contouren van lokaal en regionaal sociaaleconomisch beleid anno 2017. Het heeft niet de ambitie een allesomvattend overzicht te geven. Ook wordt geen blauwdruk geformuleerd die over het hele land kan worden uitgerold. Op basis van enkele maatschappelijke trends wordt verkend welke mogelijkheden gemeenten en provincies hebben om hun sociaaleconomische positie te versterken. Daarbij wordt steeds scherp in het oog gehouden of overheden in de desbetreffende gevallen wel een taak te vervullen hebben. Aan de hand van een welvaartseconomisch kader wordt ervoor gewaakt taken die het bedrijfsleven zelf kan doen op het bord van de overheid te leggen. Dat leidt immers tot economische verstoringen die soms meer kwaad dan goed doen. Aan de andere kant moet de overheid geen taken laten liggen die we niet aan de markt kunnen overlaten.

>> Lees verder en download hier het volledige essay (PDF)