Campagne voeren voorbij het stemhokje

Hoe voer je succesvol campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen en zorg je dat je daarna als partij of bestuurder ook nog met andere partijen het goede gesprek kunt voeren over een te vormen bestuur? Derk Moor (zelfstandig bestuursadviseur) en Annemarth Idenburg (directeur Trendbureau Overijssel) spraken gezamenlijk met een college van B&W in Overijssel, over de uitdagingen van een verkiezingsstrijd en de tijd die daarop volgt. Een interessant vraaggesprek volgde tussen Derk Moor en Annemarth Idenburg; kun je in de campagne rekening houden met zoveel mogelijk stemmen ophalen én met de periode daarna, namelijk samen zorg dragen voor een goed gemeentebestuur?


ANNEMARTH IDENBURG

Beste Derk,

Een tijdje geleden hebben wij samen een gesprek gehad met het college van B&W van één van onze mooie Overijsselse gemeentes. Jij en ik spraken met ze over de uitdagingen die hen na de verkiezingen te wachten staan én over de vraag hoe ze de verkiezingsstrijd kunnen voeren, op een manier dat ze na 16 maart nog gezamenlijk met die uitdagingen aan de slag kunnen. Die laatste vraag staat ook centraal in mijn blog ‘een verkiezingscampagne met alleen maar winnaars’.

Daarin stel ik dat er twee belangrijke periodes zijn in de vorming van een nieuw gemeentebestuur: de verkiezingen waarbij elke partij zoveel mogelijk stemmen wil ophalen, en na de verkiezingen wanneer andere partijen gezamenlijk gaan spreken over een te vormen bestuur. Kun je in de campagne met beide rekening houden?

Hoe kijk jij daar naar? Eerst focus op de verkiezingen en daarna komt de rest wel?

Annemarth Idenburg en Derk Moor

DERK MOOR: Ik denk dat het eerste niet zonder het laatste kan. Je ziet in de realiteit dat partijen vaak focussen op de verkiezingen en kort daarna wakker worden in een nieuwe wereld: de wereld ná de verkiezingsuitslag. Vooral als het nieuwe of jonge partijen zijn. Oei, wat nu? In de wereld na de uitslag gaat het om de vraag: hoe vormt zich een stabiel bestuur van de gemeente en welke rol hebben of willen we daarin?

Of je daar een betrouwbare en geloofwaardige partij in kunt zijn hangt in hoge mate af van de manier waarop de partij zich in de verkiezingsstrijd heeft opgesteld. Wanneer er grote beloftes of breekpunten zijn uitgesproken wordt de formatie al snel lastig of loopt hij vast.

Strategisch zou zijn dat een partij zichzelf ruim voor de verkiezingen afvraagt: wat moet onze rol en plek worden? Willen we besturen vanuit de toekomstige coalitie of komen we beter tot ons recht in de oppositie? Of kijken we wel waar het heen gaat?

ANNEMARTH IDENBURG: Ah dank. Ik lees daarin dat het voor een voorspoedige formatie belangrijk is niet te stellig te zijn in je beloftes en breekpunten. Tegelijkertijd lees ik ook vaak dat een scherpe campagne goed is, omdat het aan de kiezer duidelijk maakt wat er te kiezen valt. De oordelen over partijen die na de verkiezingen hun scherpe standpunten weer afzwakken, ten behoeve van de samenwerking, zijn niet mals: zwalkers, draaikonten, kiezersbedrog.

Is dat een catch-22 situatie, of heb je suggesties hoe hier mee om te gaan?

DERK MOOR: De vraag is: hoe realistisch is datgene wat je de kiezers voorhoudt? Als je je scherp afzet en grote beloften doet en je maakt ze niet waar, dan ben je de volgende periode weg. En als je veel compromissen moet sluiten om toch in het bestuur te komen zal de kiezer zich ook bedrogen voelen. Nooit kunnen alle punten uit het programma worden binnengehaald. Het uiteindelijke bestuur volgt uit een akkoord met compromissen. En met het toenemen van het aantal partijen neemt de hoeveelheid compromissen toe en de daadwerkelijke invloed af. Dat realisme mag je best uitstralen. Stel je een ui voor die je in de lengte doorsnijdt. In de bestuursperiode lopen de rokken parallel dicht bij elkaar. Dan komt de verkiezingstijd en dan gaan de standpunten, net als de uienrokken, uitwaaieren. En na de formatie komt het in de nieuwe coalitie weer dicht bij elkaar. Het is eerlijk naar de kiezer, als je als partij dan ook durft  te onderkennen: uiteindelijk moeten we weer dichter bij elkaar komen. Want besturen doe je niet alleen. Tenzij een partij er vooraf voor kiest om in de nieuwe periode vanuit de oppositie te willen opereren. Die heb je natuurlijk ook. Dan kun je makkelijker tegen de kiezer zeggen: wij gaan voor dit punt en anders basta.

ANNEMARTH IDENBURG: Bedoel je zo iets?

DERK MOOR: Ja, een mooie weergave. Het is goed om de kiezer duidelijk voor te houden dat je de gemeente uiteindelijk samen bestuurt. En dat je dus op enig moment weer bij elkaar moet komen om dat te bereiken.

ANNEMARTH IDENBURG: Wat ik mooi vind aan je antwoord is dat het een duidelijke opdracht geeft aan partijen om niet alleen  hun inhoudelijke visie op een goede toekomst onder de aandacht te brengen, maar ook hun gedachten over hoe ze die willen bereiken. Dat ‘besturen doe je niet alleen’ net zo’n krachtige campagne boodschap kan zijn, als ‘wij gaan voor dit punt en anders basta.’

Dank voor je inzichten! Nog een laatste punt om mee te geven aan aspirant gemeenteraadsleden in Overijssel met plannen voor de toekomst?

DERK MOOR: Ik denk dat we allemaal benieuwd zijn naar plannen voor de toekomst. Maar er is ook iets anders aan de hand. Het vertrouwen in de overheid staat erg onder druk. Het zou mooi zijn als de nieuwe gemeenteraadsleden allemaal nadenken over hoe ze vanuit hun positie kunnen bijdragen aan het herstel van het vertrouwen.

.

Delen via: